Hoofdstuk 10

Krantenbericht in de Noorse krant Firda Folket van 3 maart 1942

Krantenbericht in de Noorse krant Firda Folket van 3 maart 1942

In hoofdstuk 10 wordt ingezoomd op een aantal Engelandvaarders. Ook die terechtgesteld werden op het eiland Håøya in de Oslofjord. Van de zes op het eiland gefusilleerde mensen, had er één de Nederlandse nationaliteit: Paul Winnemuller. Paul, geboren 17 februari 1917, was in Noorwegen terecht-gekomen door aan te monsteren op een Duits vrachtschip nadat hij in 1939 was gedrost van een Nederlands schip in Engeland. De reden dat hij droste, was dat de gage aan boord van het Duitse vrachtschip aanzienlijk beter zou zijn geweest. Het Duitse vrachtschip deed Noorwegen aan en Paul besloot dan om (ook hier) te drossen. In 1941 besloot hij om samen met een Noorse machinist uit te wijken naar Engeland. Paul en de Noorse machinist wisten op 13 januari 1941 in de buurt van de stad Bergen een motorboot met benzine te stelen, maar ze werden door de Duitsers betrapt bij hun poging Noorwegen te ontvluchten op weg naar Engeland. Vermoedelijk waren het niet alleen Paul en de Noorse machinist die daarbij betrokken waren, maar ook drie andere Nederlanders, te weten Jan Dolstra, Herman de Haan en Theo Johan Dieters. Van 4 mei tot 25 november 1941 zaten Paul en de andere drie Nederlanders in eenzame opsluiting gevangen op het beruchte adres Møllergate 19 in Oslo. Daarna werden zij overgebracht naar het kamp Grini bij Oslo. Volgens het boek ‘Griniboken’ blz. 41 krijgt Paul daar kampnummer 1057, de andere Nederlanders de kampnummers 1058, 1059 en 1060. In Grini moest iedereen ‘werken’ en Paul werd daar kok. Volgens het boek Norges Krig, deel III, blz. 458, kreeg Paul daar een verhouding met een vrouwelijke gevangene, te weten Lille-Edith, wat er uiteindelijk toe leidde dat het stel zich verloofde. Onduidelijk is hoe we ons dat verloven moeten voorstellen, immers in het kamp Grini waren de vrouwen gescheiden van de mannen. In het boek staat dat ze verloofd waren door het sleutelgat…

Op 27 januari 1942 werden Paul en zijn Nederlandse kornuiten van het kamp Grini naar de gevangenis van het slot Akershus in Oslo gebracht. Van Akershus werd Paul overgebracht naar het eiland Håøya waar hij werd gefusilleerd op 24 februari 1942. Later, op 18 maart 1942 werden er nog vier Noren gefusilleerd (zie blz. 96 en 97 van het boek). De andere drie Nederlanders (Dolstra, de Haan en Dieters) werden naar Duitsland overgebracht.

Op 29 maart 2019 ontving ik informatie van Anja Heie van het museum in Akershus. Zij wees mij op het boek van Aggi Kionig (zie afbeelding). Zij was mij erg behulpzaam bij het verzamelen van informatie over Paul Winnemüller en zijn vriendin Edith. Zij verwees mij weer naar een adres in Nederland waar meer informatie beschikbaar zou zijn. Zodra ik daar een terugkoppeling van krijg, zal ik bovenstaande tekst aanpassen.

28 september 2019: Theodorus Johannes Dieters, is op 28 april 1945 overleden in Brandenburg aan de Havel. Op het internet staat dat er 3.000 mensen waren achtergebleven in Sachsenhausen, waaronder ongeveer tachtig Nederlanders. Hij moet dus één van die tachtig zijn geweest die in het kamp Sachsenhausen waren achtergebleven. Op zijn kaart staat dat hij in Brandenburg (Havel) overleden is. Dat is blijkbaar toen nog goed gedocumenteerd in dat kamp. Zou hij deel hebben uitgemaakt van de ‘dodenmars’ die op 20 april 1945 startte, zeker is dat tijdens die dodenmars geen (overlijdens)administratie werd bijgehouden, zoals nu wel het geval is (zo stel ik mij voor). Sachsenhausen werd op 22 april 1945 bevrijd door de Russen en Polen. Theo Dieters zou dus na de bevrijding zijn overleden, blijkt uit de ‘Sterbeurkunde’ 1392/1947.

30 september 2019: Herman de Haan, is op 25 september 1943 overleden in Brandenburg aan de Havel. Op de ‘Sterbeurkunde’ 2518/1944 is als doodsoorzaak vermeld: longontsteking/tuberculose.

Onlangs kocht ik via internet een boek in Las Vegas genaamd ‘A stand against tyranny‘ Norway’s Physicians and the Nazis geschreven door Maynard M. Cohen. In dat boek las ik een zestal regels op blz. 192 en 193 die mijn aandacht trokken en ik neem ze hieronder 1:1 over:

Three other Norse patriots – Birkevold, Svæ, and Fraser were even more daring than passengers on the Shetland Bus. They made off with a German motorboat at Jeløy and set their course for England. Luck was against them, for the vessel ran aground off the coast of Denmark. Birkevold, who had led the escape, was imprisioned at Grini.

Dit was alle informatie op dat moment. En dan ga je vervolgens spitten, nieuwsgierig geworden wat zich daar nu weer had afgespeeld. Hieronder tref je het complete verhaal aan, samengesteld uit wel tien tot twaalf verschillende bronnen.

Engelandvaarders die terug kwamen

In mei 1941 werden er in Nederland twee vliegtuigen onder de neus van de Duitsers gestolen (één vanaf Schiphol en een watervliegtuig vanaf het IJ in Amsterdam) en zo wisten zes Nederlanders veilig Engeland te bereiken.

Ook drie Noorse marineofficieren gingen er met een Duitse boot vandoor (volgens de schrijver Ragnar Ulstein een snelle platbodem). Het zijn Per Birkevold, Hjalmar Svæ en Bjørn Fraser. Zij waren alle drie op dat moment werkzaam op de marinewerf in de plaats Horten. Horten ligt aan de Oslofjord en was altijd al een belangrijke marinehaven voor de Noren (net als bij ons Den Helder) en in de oorlog ook voor de Duitsers. Er werd een plan gesmeed om met een boot van de Duitsers die in de Oslofjord lag (bij het eiland Jeløy) naar Engeland te ontsnappen. Het was 23 augustus 1941. Alles ging eigenlijk volgens plan, de tank zat vol met brandstof en ze voeren langs de zuidkust van Noorwegen richting Engeland. Vanaf Horten is het ongeveer 900 kilometer naar de Engelse kust bij Newcastle. Als ze ongeveer 150 kilometer uit de Noorse kust zijn, steekt er een zuidwesterstorm op die hen dwingt terug te varen naar de Noorse kust. Twee dagen lang zijn ze genoodzaakt om tussen Kristiansand en Mandal de luwte van de kust op te zoeken tussen de eilanden die daar liggen. Nadat de storm is geluwd besluiten de mannen alsnog richting Engeland te varen en ze zetten koers naar de vuurtoren van Longstone, ongeveer 630 kilometer verderop gelegen. Twee dagen lang varen ze langzaam om brandstof te besparen, ze varen richting de Schotse kust. Op ongeveer 70 mijl (ongeveer 115 kilometer) van de vuurtoren begaf de motor het echter doordat hoge golven er overheen sloegen. Door de krachtige wind, de stroming en de hoge golven dreef de boot juist weg van de Schotse kust. Dit was wel erg zuur! Na ca. 800 kilometer ‘probleemloos’ gevaren te hebben en dan strandden met de kust inzicht (die zullen ze niet gezien hebben maar spreekwoordelijk bedoeld). Na acht dagen op zee, met weinig voedsel en water (het zou maar een kort tripje zijn naar Engeland), strandde de boot op de Deense kust bij de ingang van de Limfjord op het strand bij Agger.  Ook de Deense kust maakt onderdeel uit van Hitlers Atlantikwall en het is wonderlijk, dat ze niet werden opgemerkt door de Duitsers die daar wachtliepen. Ze wisten toen nog niet dat ze zich in Denemarken bevonden, het had voor hun gevoel ook Duitsland kunnen zijn. Na de Duitsers te hebben ontweken, zagen zij aan de bewegwijzering dat ze zich in Denemarken bevonden. Birkevold had een familielid die priester was in Kopenhagen en hij vatte het idee op om via hem naar Zweden uit te wijken. Een hulpvaardige spoorwegbeambte verkocht hun kaartjes en nam daarbij hun Noorse geld aan. Door laarzen te verkopen aan een boer kregen ze wat geld om eten te kunnen kopen. Er ging geen trein direct naar Kopenhagen, ze moesten reizen via het stadje Esbjerg om vervolgens daar over te stappen op de trein naar Kopenhagen. Denen hadden de drie mannen opgemerkt en ze lichtten de politie in. De mannen namen de trein en toen ze in Esbjerg aankwamen, bleek dat het station hermetisch was afgesloten door de Deense politie om de mannen te kunnen arresteren. De Deense politie was erg behulpzaam en adviseerde hen het verhaal aan te houden dat ze op weg waren naar Zweden i.p.v. naar Engeland. Ze zaten twee dagen in de gevangenis van Esbjerg en vervolgens veertien dagen in de gevangenis van Kopenhagen. Daarna werden de mannen met een Duits militair toestel van Kastrup naar Fornebu gevlogen. Op Fornebu stond de Gestapo hen op te wachten. Op 10 maart 1942 stonden de mannen terecht voor een Duits marinegerechtshof. Ze werden alle drie veroordeeld tot de doodstraf. Het vonnis luidde dat ze hun woord als officier hadden gegeven, wat dus niets waard zou zijn, ze hadden een Duitse boot gestolen en ze waren van plan in een vreemde krijgsdienst te treden. Daarbovenop werden ze veroordeeld tot één maand gevangenisstraf omdat ze een Noorse haven hadden verlaten zonder toestemming (dat laatste was een standaard straf voor een ieder die dat deed).

Vaandrig Hjalmar Svæ was de voormalig commandant van de torpedoboot Skarv (bouwjaar 1906 en stoom aangedreven) welke door de Duitsers werd overrompeld op 9 april 1940 in de haven van Egersund. Hij wist tijdens de maand gevangenisstraf (daarna zou de doodstraf worden voltrokken) uit de gevangenis aan de Åkebergveien 11 in Oslo te ontsnappen. Hij ontsnapte van afdeling B ‘Bayeren’ (criminelen werden hier voor een korte duur geïnterneerd) en week uit naar Zweden. Later wist Svæ naar Engeland te ontkomen.

De andere twee: Birkevold en Fraser. Birkevold werd samen met Fraser overgebracht naar kamp Grini (te vergelijken met kamp Amersfoort of Westerbork) (zie blz. 101, 107 en 149 van mijn boek). Hij krijgt daar kampnummer 748. In Grini werd hij in het Revier (Duits voor ziekenkamer in een gevangenis), opgenomen met koorts. De koortsbacillen werden daar toegediend door een Noorse arts, te weten Dr. Sven Oftedal die daar zelf gevangen zat. Daarmee probeerden de geïnterneerde artsen de opname(s) in de ziekenkamer zo lang mogelijk te rekken. Hij zat van 18 september 1941 tot 20 februari 1942 in kamp Grini. Vervolgens werd hij overgebracht naar de gevangenis aan de Åkebergveien 11 in Oslo, als voorportaal om op transport naar Duitsland te worden gesteld. Echter na een paar dagen werd hij naar het Ullevål ziekenhuis in Oslo overgebracht, waar hij van 26 februari 1942 tot 5 augustus 1942 verbleef. Daarna werd Birkevold op transport naar Duitsland gezet. Uiteindelijk kwam hij in het kamp Fuhlsbüttel bij Hamburg. Na een bombardement op de stad Hamburg in juli 1943 werd hij overgebracht naar Rendsburg (ten noorden van Hamburg) en in februari 1944 naar de strafinrichting van de gevangenis van Dreibergen (Bützow), waar hij werd verenigd met Bjørn Fraser.

Bjørn Fraser voerde vanaf 1 september 1939 het commando over de twee watervliegtuigen die gestationeerd waren in de Sømmevågen (nabij Sola). Daarnaast was hij piloot op een M.F.11 (zie blz. 50/51) en hij had daarvoor al twee keer met zijn M.F.11 een Duits vrachtschip opgebracht. Uitgerekend hij had ten tijde van de Duitse overval op Noorwegen verlof. Fraser krijgt in Grini kampnummer 747. Hij verbleef daar van 18 september 1941 tot 20 februari 1942 en ook hij gaat via de gevangenis aan de Åkebergveien, op 16 maart 1942 op transport naar een concentratiekamp in Duitsland.

Om de een of andere reden werd de doodstraf van Birkevold en Fraser omgezet in tien jaar tuchthuis. Volgens Franz Böhme (blz. 259/260) zou Von Falkenhorst (hij was tot half december 1944 de bevelhebber van de Duitse strijdkrachten in Noorwegen) persoonlijk hebben ingegrepen in het vonnis en de doodstraf hebben laten omzetten naar tien jaar tuchthuis. Deze verklaring werd gevonden in de rechtszaak tegen de oorlogsmisdadigers in Neurenberg van 2 augustus 1946. De rechterhand van Von Falkenhorst, te weten generaal Von Lossberg verklaarde dit. Birkevold en Fraser kregen genade, werden nimmer geëxecuteerd en ze overleefden de oorlog. Een bijzonder verhaal.

Nog veel meer van deze bijzondere verhalen over Engelandvaarders vindt u terug in hoofdstuk 10 van het boek.

Toevoeging pagina 93

De Duitsers hadden het voornemen om zowel bejaarden, vrouwen en kinderen naar ‘het zuiden’ (lees: naar Duitsland) over te brengen. De huisarts die werkzaam was op de eilanden voor de kust, Dr. Arnljot Gjeldstein, nam contact op met de Noorse arts en bacterioloog Dr. Konrad Birkhaug en verzocht hem om hulp. In afwachting van het transport van de bejaarden, vrouwen en kinderen, brak er een besmettelijke ziekte uit, waaronder difterie, die vooral de kinderen raakte. De Duitsers, altijd al bevreesd voor besmettelijke ziekten, brachten deze groep in voorlopige quarantaine totdat de infectieziekte voorbij zou zijn en ze op transport gesteld konden worden. Voor het bestrijden van de besmettelijke ziekte schakelden de Duitsers het Noorse Rode Kruis in. Birkhaug, eveneens lid van het Rode Kruis, wierp zich op als verantwoordelijk arts. Hij was de vaktechnisch specialist. Door het ‘spel’ goed te spelen wist hij met vervalste onderzoeken aan te tonen dat het besmettingsgevaar verre van over was. Door het talmen met (vervalste) bewijzen raakte het afvoeren van de bejaarden, vrouwen en kinderen op de achtergrond bij de Duitsers en het werd daarom nooit uitgevoerd. Bron: https://tidsskriftet.no/2001/03/merkesteiner-i-norsk-medisin/konrad-birkhaug-og-bcg-vaksinen en het boek A stand against tyranny. Norway’s Physicians and the nazi’s.

Overigens: de naam Arnljot Gjeldstein kwam ik ook tegen in een artikel over zijn rol als arts in een Russisch krijgsgevangenenkamp in Fjell zie: Arnljot Gjelstein en de Russen