Hoofdstuk 26

In het boek Tro og tillit. Personlige og politiske erindringer van Sjur Lindebrække las ik onder het kopje Frigjøringsdagene (blz. 19 t/m 22) nog iets wat ik je niet wil onthouden als aanvulling op dit hoofdstuk en hoofdstuk 25. Sjur Lindebrække was hier namelijk zelf bij betrokken.

Hij schrijft: De Duitse ineenstorting was gaande. Dat kon iedereen zien en waarnemen en het was een kwestie van tijd dat de Duitsers er het bijltje bij neer zouden gooien op het vasteland van Europa. Maar hoe zou het verder moeten met Festung Norwegen?

Op 6 april 1945 (de opstand van het Georgisch bataljon op Texel) zocht het Duitse opperbevel aan de westkust van Noorwegen toenadering tot de leiding van het verzet om af te tasten of er mogelijkheden waren voor een Duitse (afzonderlijke) overgave in het westen van Noorwegen. Het is wonderlijk te lezen dat de Duitse legerleiding (vermoedelijk alleen voor de westkust, dat staat niet zo expliciet genoemd in het boek), die was gestationeerd in de stad Bergen, toen al inzag dat verdere voortzetting van de oorlog niet meer vol te houden was. De toenadering vond in het diepste geheim plaats omdat ook het ‘gewone leger’, de Wehrmacht, bang was voor de Gestapo met haar terreur. De eis van de Duitse legerleiding was dat het verzoek om onderhandelingen te starten persoonlijk naar Londen moest worden overgebracht. Dat mocht niet via de ether om ontdekking ervan te voorkomen. En dat nam tijd in beslag. En in de tussentijd ontstonden er gevechtshandelingen (zie hoofdstuk 25). Generaal De Boer gelastte dat de Noren alle gevechtshandelingen zouden staken om verder te kunnen onderhandelen. Zoals je in hoofdstuk 25 hebt kunnen lezen werd daarop het vuren gestaakt en trokken de Noren zich terug. Op 6 mei werd Sjur Lindebrække namens generaal De Boer gebeld door ‘Majoor Hauptmann’ met het verzoek aan te schuiven om verdere onderhandelingen te voeren. Hij werd door een Duitse auto met chauffeur opgehaald en naar generaal De Boer gebracht. De Boer kwam direct ter zake en vertelde dat beide partijen, nu de oorlog zijn laatste fase was ingegaan, alleen maar verliezers telden. Hij wilde tot concrete afspraken komen voor een vredige afwikkeling. En die afspraken werden vervolgens gemaakt. De Duitse militaire politie kreeg orders om de Gestapo te arresteren, maar die was inmiddels al gevlucht in een boot richting het noorden.

In de bespreking over een vredige afwikkeling vroeg de generaal: Wie sind Eure Divisionen gekleidet? De Boer ging ervan uit dat er hele legerdivisies betrokken waren bij de gevechtshandelingen. Waarop Lindebrække geantwoord zou hebben dat onze divisies uitgerust waren met armband en een muts.

Het bijzondere is dat de wens tot het neerleggen van de wapens aan de westkust van Noorwegen al begin april 1945 werd overgebracht aan het verzet. Op 30 april 1945 pleegde Hitler zelfmoord. Het zou dus nog een maand duren voordat alle wapens zwegen. Generaal De Boer moet een professioneel militair zijn geweest die bloedvergieten wilde voorkomen en die beslist niet geïndoctrineerd was met de nazi-ideologie. Er waren dus ook nog militairen die de oorlog eerder wilden beëindigen!

Het boek van Sjur Lindebrække

Hoeveel Duitsers waren nu eigenlijk gelegerd in Noorwegen?

In het boek (blz. 87 en 257) meld ik dat er ongeveer 350.000 Duitsers gelegerd waren in Festung Norwegen. Dat getal is ontleend aan verschillende boeken waarin dat wordt beschreven. In een Noorse krant van 4 november 2018 las ik een artikel van twee onderzoekers, te weten Kjetil Korsnes en Olve Dybvig, die constateerden dat het toch wat genuanceerder lag. (https://morgenbladet.no/ideer/2018/11/hvor-mange-var-her). Aan het eind van de oorlog waren er inderdaad rond de 350.000 Duitsers gelegerd in Noorwegen, maar dat waren niet altijd de gevechtstroepen waar men in de literatuur naar verwijst. Het is een interessant artikel omdat het de ‘mythe’ enigszins ontkracht van een enorm goedopgeleide strijdmacht die daar zou zijn gelegerd (blz. 257). Het artikel heb ik enigszins aangepast en staat hieronder beknopt weergegeven.

Volgens de onderzoekers klopt het dat er ongeveer 350.000 Duitsers tijdens de capitulatie in mei 1945 in Festung Norwegen verbleven. De onderzoekers zoomden in op de periode 1940 tot 1945 en kwamen tot de ontdekking dat de aantallen gedurende die periode toch wisselden.

Dit overzicht geeft de aantallen Duitsers weer gedurende de bezettingsjaren. De getallen zouden afkomstig zijn van intendanten van de Duitse strijdkrachten in Noorwegen. Het omvat het leger, de marine, luchtmacht en ‘overigen’ zoals politie, medewerkers van de organisatie Todt, SS, het Reichskommissariat en burgers onder Duits commando.

In april 1940 waren het er ongeveer 50.000, een jaar later zijn het er ongeveer 250.000. Je ziet heel duidelijk wanneer Unternehmen Barbarossa en Unternehmen Platinfuchs en Polarfuchs, zie blz. 118 van het boek) van start gaan. Dan is het zomer 1941. Er is blijkbaar zo’n 50.000 man aangevoerd om de aanval in te zetten op Moermansk. Vervolgens moet worden gebouwd aan Festung Norwegen: de Atlantikwall. Dat zal zo’n beetje eind 1941 zijn geweest, daar werd door de Duitsers vol op ingezet (zie blz. 71). Voor de bouw van Festung Norwegen blijft het aantal Duitsers ongeveer gelijk van augustus 1942 tot het voorjaar van 1944. Tussen de zomer van 1943 en het voorjaar van 1944 rukken de Russen op en de Duitsers worden teruggedrongen door het Rode Leger. In het voorjaar van 1944 zie je dat eenheden die gelegerd zijn in Festung Norwegen overgeplaatst worden naar Rusland. Waarschijnlijk om een zomeroffensief van het Rode Leger op te vangen. Dat geldt tot bijna eind oktober 1944. Tussen oktober en december 1944 is er een enorme toename van manschappen. De Russen rukken op 7 oktober 1944 op in het noorden van Europa (lees: Finnmark, zie blz. 100 en 203) en staan op 25 oktober aan de Russisch-Noorse grens. Het Duitse Lapplandleger (het Duitse 20e Bergleger) moest ingevolge het tweede Unternehmen Nordlicht de algehele terugtocht aanvaarden vanuit Rusland en Fins Lapland naar Noord-Noorwegen (het eerste Unternehmen Nordlicht (1942) had als doel de verovering van Leningrad). Dat was toen ca. 200.000 man. In december 1944 beginnen de Duitsers hun gevechtstroepen blijkbaar uit Noorwegen terug te trekken, je ziet dat in december ongeveer 75.000 man uit Noorwegen naar het continent werd overgebracht en in februari 1945 is dat opgelopen tot ongeveer 140.000 man. Vandaar dat het voor de geallieerden belangrijk was deze terugtrekking zoveel mogelijk te vertragen (Hoofdstuk 24 blz. 236 tot en met 244). Het ging om substantiële aantallen, waar men op het continent niet zat te wachten op extra manschappen die de Heimat gingen meeverdedigen.

De onderzoekers stelden de volgende vraag: als de gevechtseenheden worden teruggetrokken, welke eenheden bleven dan achter in Festung Norwegen? Voor de duidelijkheid: de kustlijn in Noorwegen is ca. 3.000 kilometer lang. De fortificaties van Festung Norwegen zijn allemaal gesitueerd rond de steden en daar waar kustvaart plaatsvond. De Duitsers moesten wel gebruik maken van kustvaart (zie onder meer blz. 200) om hun levenslijn via zeetransport van en naar Duitsland te verdedigen. Wanneer de Duitse vrachtschepen met voorraden niet dicht langs de Noorse kust zouden varen onder bescherming van o.a. fortificaties, liepen ze de kans dat ze op volle zee door de Royal Navy zouden worden vernietigd. De kustvaart (en daarmee de bescherming van de bevoorradingslijn van hun eenheden in het noorden) was uitermate belangrijk. Daarnaast bestond bij de Duitsers de druk van een dreiging van een invasie (operatie Jupiter: Stalin wilde graag een tweede front om de Duitse druk op Rusland te verminderen). Een invasie van Noorwegen zou het land in tweeën kunnen delen met als gevolg dat de Duitsers het noorden van Noorwegen ‘kwijt’ zouden raken en de geallieerden onbelemmerd de konvooivaart naar Moermansk zouden kunnen uitvoeren. De verschillende geallieerde raids op de Noorse kust hebben wellicht de indruk versterkt dat een invasie op handen was (zie o.a. Hoofdstuk 9 en 15) en die maakte het daarom noodzakelijk om Festung Norwegen beter te verdedigen.

Om met dat laatste te beginnen: de verdediging middels fortificaties van de kust (of dat nu Noorwegen of Nederland betrof), werd niet overgelaten aan gevechtseenheden. Dat waren over het algemeen ‘wat oudere’ soldaten. Het Duitse leger bestond bij de capitulatie uit ongeveer 195.000 soldaten en volgens de grafiek waren er op dat moment ca. 350.000 Duitsers aanwezig in Noorwegen. Van die 195.000 soldaten behoorde ongeveer de helft tot een infanteriedivisie. Zij zouden dus als ‘gevechtseenheden’ kunnen worden ingezet, maar dan hebben we het over globaal 100.000 man. Het is overigens theoretisch dat ze bij gevechtshandelingen konden worden ingezet. Volgens de onderzoekers waren de aanwezige infanteriedivisies ook nog eens niet op sterkte, een fenomeen wat niet ongebruikelijk was aan het einde van de oorlog. Daarnaast ontbrak mobiliteit en waren het feitelijk ‘sitting ducks’. Ze waren veelal gebonden aan de plek waar ze gestationeerd waren en hadden niet de mogelijkheid om zich (snel) te kunnen verplaatsen (zeker niet in Noorwegen met de toen slechte infrastructuur over land). Veelal waren ze nabij kustforten of in grote(re) steden gestationeerd of de eenheden functioneerden zelfs als bemanning van een kustfort. Twee infanteriedivisies stonden aan de Lyngenstellung in het noorden, met een totale sterkte van ongeveer 15.000 man. Het betrof hier de 41ste en 143ste Gebirgsjäger, aangevuld met elementen van de 6de Gebirgsdivisie. De ‘geharde kern’ van gevechtstroepen had in maart 1945 het land al verlaten volgens de onderzoekers. Wat overbleef, waren eenheden zonder (enige) gevechtservaringen en wat daar de waarde precies van was…

Toen Noorwegen in april 1940 werd overvallen, gebeurde dat door eenheden die al bijvoorbeeld strijd hadden geleverd in Polen. Ze waren goed getraind en veelal uitgerust met voertuigen zodat hun mobiliteit groot was. Bij de capitulatie op 9 mei 1945 bleven echter slechtuitgeruste eenheden, mannen van wat oudere leeftijd zonder enige gevechtservaring, achter. Vermoedelijk heeft het opperbevel ingezien dat de strijd niet gewonnen kon worden. Daarom snap je waarom Generaal De Boer er misschien het bijltje er bij neer wilde gooien begin april 1945. Uiteindelijk heeft ook de General der Gebirgstruppe, commandant Franz Böhme dat met zijn militaire staf ingezien. Hij heeft Festung Norwegen opdracht gegeven de wapens te laten zwijgen.

In het boek Aust-Agder under okkupasjonen Glimt fra kriggsårene 1940-1945 las ik een aanvulling op blz. 258. In het boek las ik dat ook vanuit Denemarken vliegtuigen overgevlogen werden. Het zou gaan om vijf toestellen die op het vliegveld Kjevik (Kristiansand) zijn geland en één Junker Ju 188E zou zijn neergestort. Het toestel zou nog een poging gedaan hebben om te landen in Arendal, wat niet lukte, vloog verder naar Blakstad om vervolgens rond 09.00 uur neer te storten in Messel. Van de vijf bemanningsleden kwamen er drie bij de landing om het leven. (https://no.wikipedia.org/wiki/Flystyrten_p%C3%A5_Messel_i_1945).