Hoofdstuk 4

Voor de geïnteresseerde lezer: op pagina 43 wordt geschreven over het ‘bewaken’ van de ingang van de fjord. Dat waren de schepen van de Britse marine: De Northern Spray, De Northern Dawn, De Northern Gem, De Northern Pride en De Northern Wave van het 12de Antisubmarine Striking Force.

Verder wordt genoemd het Duitse vrachtschip wat door een Engelse prijsbemanning werd geënterd en in beslag werd genomen (blz. 41 en 43). Daarnaast wisten de Engelsen eveneens beslag te leggen op de Duitse trawlers De Friesland, De Nordland en De Blankenburg. Deze werden, begeleid door de jager De Hostile en naar Aberdeen overgevaren, waar zij in de nacht van 12 op 13 april aankwamen.

Over De Nordland: op 16 oktober 1939 was het schip, varend onder de Deense vlag gespot en aangehouden door Bjørn Fraser (zie aanvulling hoofdstuk 10), die van zijn M.F.11 overstapte op De Nordland en deze naar de Noorse kust dirigeerde. Daar kreeg de kapitein van De Nordland een boete omdat hij onder een ‘valse‘ vlag langs de Noorse kust voer. Zie voorts pagina 8 van hoofdstuk 1 voor het hoe en het waarom.

Er lag op de vroege ochtend van de negende april een Nederlands vrachtschip in de haven. Het betrof De SS Bernisse van rederij P.A. van Es & Co uit Rotterdam. De Bernisse stamde uit 1915 en de kapitein was de heer A. Kers. Het schip had geladen in het plaatsje Ballangen in de Ofotfjord en lag op de rede van Narvik om uit te varen naar IJmuiden. Tijdens de gevechten die uitbraken op 10 april werd een Noors schip wat op ca. 80 meter van De Bernisse lag getroffen, kantelde en zonk. De bemanning van De Bernisse wist met sloepen 29 Noren uit het ijskoude water van de Ofotfjord te redden. Daarop verliet de kapitein en de bemanning van De Bernisse haar schip om aan de wal te schuilen voor de granaatregen. De Bernisse werd zwaar beschadigd door Brits scheepsgeschut bij gevechten rond Narvik. Op 15 april is het schip gezonken. De Nederlandse vice-consul in Narvik verleende bijstand aan de achttien opvarenden. Via de Zweedse Minister van Buitenlandse Zaken Günther is toen aan de buitengewoon gezant baron van Nagell voorgelegd, of het gezantschap ten minste een bedrag per dag voor de zeelieden ging betalen voor hun verblijf… Bij aankomst in Stockholm mochten zij echter niet op 24 april met de KLM-toestellen Mees en Uil mee naar Amsterdam. De vliegtuigen kregen alleen toestemming om zonder passagiers vanuit Stockholm (Zweden) te vertrekken terwijl de bemanning van De Bernisse daar wel klaar stond. Zij moesten op dat moment in Zweden achter blijven.

We weten allemaal wat er gebeurde op 10 mei. De bemanning zit op dat moment nog steeds in Zweden. Op 30 mei 1940 wordt er een telegram gestuurd van de buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Stockholm en Helsingfors, baron J.E.W van Nagell, naar de Nederlandse regering in ballingschap gevestigd in Strattonhouse in Londen. De kernvraag is: kunnen en mogen de zeelieden terug naar Nederland? In het telegram wordt aangegeven dat het allemaal afgekeurde dienstplichtigen zijn en dat de verwachting is dat dit niet op militaire moeilijkheden zou stuitten. Op 21 juni 1940 komt het verlossende antwoord: de minister van Defensie acht dat er geen bezwaren zijn tegen de terugkeer naar Nederland uit militair oogpunt. Op zich bijzonder, je zou toch verwachten dat het antwoord zou zijn: ‘all hands on deck’ in Engeland…

Brief van geen bezwaar

Zie voorts het verhaal in het boek over de Engelse vloot en hun geheime marinebasis op de kop van de Lofoten.

Overigens de zoon van baron J.E.W van Nagell, te weten Egbert Joost baron van Nagell, heer van Schaffelaar, is met zijn Spitfire Mk. Vb AB818 VL-N van het 322ste sqn neergeschoten op 28 januari 1944 (om ca. 13.05 uur) boven Merville (ten noorden van Caen) door FLAK. Hij was opgestegen van de basis Hawkinge (Kent)(zie http://aircrewremembered.com/1944-01-28-loss-of-egbert-baron-van-nagell.html). Maar dat is een heel ander verhaal buiten deze website (of boek) om.